Het Kafka Mannetje

Op een mooie lentedag wandelde Johannes over een rivierdijk, genietend van de schitterende vergezichten die zijn geliefde vaderland kenmerken. Ginds wuifden populieren, zich glorieus oprichtend naar de hemel waar Hollandse wolkenpartijen een feest voor zijn helder oog aanrichtten. Opeens werd de serene rust van dit glorieuze landschap verstoord doordat uit de schaduw van de peppels een mannetje het talud op klom dat luidkeels met schrille stem beschuldigingen naar voren bracht over de achtenswaardige held, die aldus in zijn welverdiende ontspanning gestoord werd.
Het mannetje gilde

“Daar is Johannes, denk maar niet dat je van mij afkomt, ik zal je achtervolgen, aanklagen, aan de schandpaal nagelen, omdat jij je afgeeft met Extreem Rechts. Jij schrijft dingen over Joden en hun heilige Holocaust, over negers, over Marokkanen, terwijl jij je moet schamen Johannes, diep schamen, samen met alle andere blanken, voor alle kwaad dat is aangericht! Jij dwarsboomt de beschaving, bedreigt de wereldvrede, lapt het fatsoen aan je laars, maakt minderheden bang, zet aan tot geweld, egoïsme, wereldheerschappij, genocide, massamoord, onderwerping en slavernij.”

Toen moest het mannetje met grote gierende halen naar adem happen terwijl het met felle ogen naar Johannes keek, die zich op zijn beurt verbaasde over diens wonderlijke kledij. Het droeg een lange witte jurk waarop in goudkleurige stof een groot hartvormig figuur was aangebracht, een wit masker met twee gaten voor de ogen en aan zijn hoofd was een goudkleurige cirkel bevestigd, wat een aureool moest voorstellen. In zijn hand hield het een emmertje met een onwelriekende inhoud waarop “Johannes” stond.

De diep beledigde Nederlander vroeg:
“Waaraan, o gemaskerde schreeuwer, ontleent u het recht om zich zo grof en leugenachtig over mij te uiten?”
Het mannetje hield het emmertje omhoog,
“Zie je dit dan niet? Dit heb ik uit onze moddermijn opgedolven, daar ben ik altijd mee bezig. Mensen laten incriminerende boutades achter, wat in de loop der tijd door dikke lagen wordt verborgen, maar wij kafka mannetjes brengen ze aan het licht en besmeuren er mee!”

De volksheld hernam:
“Wie gelooft er nu een groep gemaskerde mannetjes die als ratten in donkere krochten kruipen om stront te verzamelen zodat ze edele mensen kunnen besmeuren?”

“Ha!” zei het mannetje met een overwinningstoon in zijn schrille stem,
“wij letten op ons image, aan het aureool dat ik op heb, zien de mensen dat wij heilig zijn, aan het gouden hart dat wij op ons engelengewaad hebben aangebracht, dat wij goed zijn, want zoals wij ons voordoen, zo moeten de mensen ons zien, daaraan mag niet getwijfeld worden!”

Het mannetje keek dreigend naar Johannes:

“Onze moddermijn is feilloos en jij hebt jezelf geïncrimineerd, je bent een antisemiet, een racist en een fascist en daarom verklaar ik jou vogelvrij! Dit mengsel van uit de context gehaalde shit en gepatenteerde suggestieve kleefhars zal jou voor eeuwig gehaat maken bij alle door fantomen beheerste wereldburgers, die jou prompt je mensenrechten zullen afnemen.”

Nu had Johannes zich voor zijn welverdiende wandeling gekleed in een wit linnen kostuum, terwijl hij zijn grote brein bedekt hield met een strohoed, voorzien van een rood- wit- blauwe band. Verontrust door het jammerlijke en gewelddadige voornemen van het mannetje, dat dreigde zijn smetteloze voorkomen met geweld te bederven, week hij terug.  Maar het kafka mannetje stapte op hem toe, nam een greep uit zijn emmertje en bekogelde hem. Hoewel Johannes het weerzinwekkende mengsel behendig probeerde te ontwijken, werd hij helaas getroffen.  “kaltgestellt!”, gilde het mannetje, maar toen bleef het verbijsterd staan.

Want Johannes, de door God gezonden held, die zijn volk dient in waarheid en wijsheid, hoeft  niets te doen om zich te rechtvaardigen. De modder die hem getroffen had, kleeft hem niet aan en viel als droog zand op de dijk, de nobele, blanke, welopgevoede man onbevlekt latend.
Het kafka mannetje begreep dit niet.
“Ik heb er toch echt genoeg suggestieve kleefhars doorheen geklopt” zei het in paniek tot zichzelf, terwijl het zenuwachtig de vuile handen aan het grof gemaakte engelengewaad afveegde.
De trots der natie constateerde
“U besmeurt uw eigen blazoen, het is niet gezond dat u waarheid in viezigheid wilt veranderen met suggestief verdraaien en besmeuren, u kunt beter dat masker afdoen en licht en lucht in uw leven toelaten.”
Hij strekte zijn machtige arm uit om het ventje er van af te helpen, zodat het voortaan een zinvol bestaan zou leiden.
Maar het dook weg.

“Niet doen, ik kan niet tegen licht en lucht, ik moet ondergronds.”

Het rende de dijk af, terwijl zijn zelf gemaakte aureool koddig op en neer schudde en stinkend vuil van de smerig geworden engelenjurk afspatte. Het ontsnapte in een naargeestig hol waar een fatsoenlijk mens niet kan volgen.

Nu de rust was weergekeerd en welriekende geuren de overhand hadden genomen, hervatte Johannes zijn wandeling. “Wat ben ik toch een gelukkig man, dat ik geen behoefte heb om mijn eigen volk en ras te besmeuren”, dacht hij bij zichzelf. Hij straalde, het hele land straalde met hem mee, de vogels zongen en een prachtige toekomst lag in het verschiet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *