Eens bezocht Johannes een ziekenhuis, toen er met misbaar een jonge, bebloede Nederlandse vrouw werd binnengeleid door een oudere dame. Ze werden in een behandelkamer gebracht, waar Johannes, gezeten op een wachtkamerbankje, op uitkeek. Plots verscheen er een wezen, enigszins doorzichtig met gekleurde bolvormige structuren in zijn lichaam. Het zag er zwaar gehavend uit.
“Jij ook altijd, met je criminele vrienden, ik hoop dat ze je de volgende keer doodslaan” krijste de oudere vrouw. Tegelijk verscheen er een gemeen wezentje dat de gehavende verschijning schade toebracht, waarop het van een afstandje de uitwerking bekeek. De gehavende kreunde, wreef over de nieuwe beschadiging en wendde zich tot Johannes.

“Ik ben haar belang, mijn eigenaresse is prostituee en werd in elkaar geslagen door een vriend van haar loverboy. Die oudere vrouw is haar moeder die haar sedert haar geboorte haat. Dat daar – het belang wees op het gemene wezentje – is een vijandigheidje van haar moeder”.

Toen voegde een Marokkaanse jongen met een harde blik zijn ogen, zich bij de vrouwen. “Klootzak, jij laat haar de hoer spelen en mishandelen, kijk wat je haar aandoet” gilde de oudere vrouw. “Hou je mond ma, Mohammed is heel anders dan jij denkt” schreeuwde de andere. “Het was Achmed die mij sloeg omdat hij met zijn dronken kop niet klaar kon komen”. “Jullie geen respect voor Achmed …, ies mijn vriend, jij rustig zijn”, klonk het in het accent dat bij Johannes altijd walging oproept.

Plots verscheen een dikkig wezen dat driftig het belang wegduwde, maar na korte tijd futloos ging zitten, terwijl het een uithaal van het vijandigheidje ontweek. “Dat is het schijnbelang dat door mijn eigenaresse wordt gevoed, omdat ze mij niet kan aanzien.” Sprak het belang. “Ze durft de keuzes niet aan, die mij bevorderen. Ze laat zich in haar verwarring liever dat schijnbelang aanpraten door Mohammed, die haar goedgelovigheid sluw bespeelt. Schijnbelangen proberen mij weg te duwen om zich in mijn plaats te kunnen stellen.”

“Waarom is het schijnbelang zo futloos?” vroeg Johannes. “Omdat het geen objectief bestaan heeft, zoals ik, maar voortdurend door misleide wilskracht gevoed moet worden. Een schijnbelang is een inbeeldingswezen, dat bestaat zolang mijn eigenaresse aan een illusie vasthoudt. Dat kost veel energie, daarom is het snel uitgeput.”

Een behandelaar betrad de kamer en kwam na een tijdje weer tevoorschijn om op de gang overleg te plegen met een collega. “Ze moet bij die Mohammed en die moeder vandaan worden gehaald, ze gaat hier kapot aan” zei hij, maar de collega antwoordde: “Dat weet je niet, wat vindt ze er zelf van en wat zeggen die moeder en Mohammed? Volgens mij houdt Mohammed wel van haar.”

Nu verschenen er nieuwe wezentjes met een bord voor hun kop, die eerst druk gebaarden, maar zodra ze het belang zagen, probeerden ze driftig om bij hem ook een bord voor zijn kop te binden. Het belang legde uit: “Dat zijn verschillende meningen over mijn eigenaresse. Ze kunnen niet accepteren dat ik objectief ben, en proberen om mij tot een mening te reduceren, zodat ze naast mij plausibeler worden. Als de behandelaars mijn eigenaresse vragen wat ze wil, dan …” Hij wees somber op het schijnbelang. “en als ze elkaar of Mohammed en haar moeder vragen wat ze het beste lijkt…” Hij wees somber op de vele meningen. “Toch ben in niet moeilijk te zien, maar als ze mij zien, moeten ze ingrijpen, dus zien ze me liever niet en laten ze hun oren hangen naar zogenaamde zorgzame figuren in de omgeving van de patient en afwerende opmerkingen van collega’s”

Het belang zweeg somber. “Ik ben geen gedachtevorm, zoals een mening, ik besta objectief en iedereen die met belangstelling mijn eigenaresse observeert, ziet mij. Er hoeft niet diep over mij te worden nagedacht. Maar in deze situatie, neemt niemand het voor mij op. Ik ben flink geschaad, zoals u ziet, mijn eigenaresse kan niet veel tegenslagen meer incasseren. Dan sterft ze en hoewel ik na haar dood nog een tijdje zal voortbestaan, zal ik uiteindelijk oplossen in de vergetelheid.” Het belang keek Johannes aan, “wilt u het voor mijn eigenaresse opnemen, o ruimhartige vaderlandslievende Nederlander?”

Toen sprak Johannes: “Ik zal mijn invloed aanwenden om u te bevorderen, geacht belang van de prostituee, omdat die jonge vrouw tot mijn volk behoort en dus een beter lot verdient dan door vreemdelingen te worden misbruikt” Het leek wel of het belang opeens minder gehavend was. Zelfs verscheen er een klein Nederlands vlaggetje in het doorzichtige lichaam van het belangenwezen, als een baken van hoop. “Ik stel dat erg op prijs”, sprak het belang, “als Nederlanders voor elkaar opkomen, wordt ik zeker bevorderd”

Hierop ging Johannes heen, om zijn invloed aan te wenden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *